Ligging en spreiding van drinkwaterproductie centra

De ligging van de drinkwaterproductiecentra wordt in eerste instantie bepaald door de aanwezigheid van zowel kwantitatief als kwalitatief geschikte ruwwaterbronnen. Daarbij komt dat de uitbouw van de drinkwatervoorziening geleidelijk is gebeurd, gedurende tientallen jaren, mede bepaald door de vraag van de gemeentelijke overheden in het verleden om aangesloten te worden op de openbare drinkwatervoorziening.

Aangezien vroeger het drinkwatergebruik nog beperkt was, lag het winnen van grondwater als bron voor de productie van drinkwater voor de hand. Grondwater hoefde geen intense zuivering, in tegenstelling tot oppervlaktewater. Uitzondering daarop vormt de stad Antwerpen, haar randgemeenten en haar havengebied. Door het ontbreken van voldoende en goed grondwater is daar van bij aanvang een beroep gedaan op beschikbaar oppervlaktewater.

Naarmate de drinkwatervoorziening verder uitbreiding nam en er bovendien in bepaalde gebieden geen of onvoldoende grondwater aanwezig was, werd ook in West- en Oost-Vlaanderen een beroep gedaan op oppervlaktewater of aanvoer van drinkwater uit andere gebieden.

Een belangrijk gegeven is dat vóór de regionalisering van België in drie gewesten, de drinkwatervoorziening niet regionaal was uitgebouwd. Dat verklaart het bestaan van verschillende drinkwaterproductiecentra in het Waalse Gewest die in 2008 via grote toevoersystemen nog steeds water leveren aan het Vlaamse Gewest.

De spreiding van de bestaande grondwaterwinningen is in grote mate hydrogeologisch bepaald. Er zijn in het Vlaamse Gewest gebieden met kleine, beperkte watervoerende formaties in de ondergrond die ontoereikend zijn voor de openbare drinkwatervoorziening, ondermeer in het Pajottenland en een groot gedeelte van West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen. Andere gebieden zijn dan weer rijk aan grondwaterreserves zoals de Antwerpse en Limburgse Kempen, het Dijlebekken ten zuiden van Leuven of de Maasvallei in Limburg.

Vele van die waterrijke zones liggen in kwelgebieden of overstromingsgebieden waarvan de natuurwaarde door de inrichting als waterwinningsgebieden, beschermd werd tegen de verkavelingsdruk en het verlies van open ruimte. Deze waterwingebieden zijn juridisch ook beschermd en gedefinieerd als waterwingebieden en beschermingszones (zone I, II, III). De natuurwaarde van die waterwinningsgebieden vindt beleidsmatig haar vertaling in de bestemming van deze gebieden als habitatgebied, vogelrichtlijngebied of VEN-gebied .